Dorhout Advocaten, Groningen | T 050-520 6 520 | F 050-520 6 599 | info@dorhout.nl
Testvisual

403-verklaring: aansprakelijkheid van de moedervennootschap

Kan de schuldeiser van de dochter na het treffen van een schikking met de dochter alsnog haar moeder, die een 403-verklaring heeft afgegeven, aanspreken? Op deze vraag heeft de Hoge Raad onlangs antwoord gegeven (i). Aanleiding om de 403-verklaring nader om de loep te nemen. Wat is eigenlijk de reikwijdte van de 403-verklaring?


403-Verklaring

Een 403-verklaring houdt in dat de moedervennootschap (moeder), die de financiële gegevens van haar dochtervennootschap (dochter) in haar geconsolideerde jaarrekening verwerkt, schriftelijk verklaart zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de schulden uit rechtshandelingen die haar dochter is aangegaan (art. 2:403 lid 1 sub f BW). Onder de hoofdelijke aansprakelijkheid vallen dus geen schulden van de dochter die voortvloeien uit de wet, zoals premieschulden, fiscale schulden of schadevergoedingen uit onrechtmatige daad. Voor haar geldigheid dient de 403- verklaring bij het handelsregister te worden gedeponeerd.

 

Concernvrijstelling

Doel van de 403-verklaring betreft de zogenaamde concernvrijstelling. Als gevolg van deze verklaring is de dochter, als ook voldaan is aan de overige wettelijke vereisten, vrijgesteld van onder meer de wettelijke inrichtingsvereisten voor haar jaarverslag en jaarrekening, de accountantscontrole, en het publiceren van de jaarrekening. Verantwoording vindt in een dergelijk geval plaats door consolidatie van de jaarrekening van de dochter in de jaarrekening van de moeder.

 

Aanvang

De hoofdelijke aansprakelijkheid van de moeder vangt in beginsel aan vanaf de datum van publicatie van de 403-verklaring bij het handelsregister. In de verklaring zelf kan echter ook een ingangsdatum worden opgenomen, waaruit blijkt dat de aansprakelijkheidsstelling is beperkt tot na een bepaalde datum aangegane schulden en openvallende termijnen.

 

Einde

Om de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen eindigen, dient de moeder een verklaring tot intrekking van de hoofdelijke aansprakelijkheid bij het handelsregister, waar de dochter statutair is gevestigd, te deponeren. Het moment waarop de moeder een beroep kan doen op de intrekking is het moment waarop de intrekking voor derden bekend is. Dit moment betreft in beginsel het moment van publiceren bij het handelsregister. De intrekking laat de aansprakelijkheid van de moeder voor schulden die al onder de verklaring vielen onverlet. Onder deze zogenaamde overblijvende aansprakelijkheid vallen onder meer schulden uit gedurende de gelding van de aansprakelijkheidstelling verrichte rechtshandelingen en oude schulden.

 

Schuldeisers dochter

De hoofdelijke aansprakelijkheid van de moeder heeft tot gevolg dat de schuldeiser van de dochter, welke schuld onder de 403-verklaring valt, een zelfstandige vordering heeft op de moeder. Dit betekent dat de schuldeiser van de dochter zowel de moeder als de dochter kan aanspreken voor haar vordering. In dit kader heeft de Hoge Raad in haar uitspraak van 3 april 2015 geoordeeld dat een schikking tussen de schuldeiser en de dochter niets afdoet aan de hoofdelijke aansprakelijkheid van de moeder. De 403- verklaring kan niet op één lijn worden getrokken met een borgtocht zoals de Hoge Raad ook heeft geoordeeld in de zaak Akzo/ING (ii). Voor het niet betaalde deel kan de schuldeiser dan ook gewoon de moeder aanspreken.


Advies

Wees u er van bewust dat een schuldeiser van de dochter zowel bij de dochter als de moeder kan aankloppen voor betaling van haar vordering. Een schikking tussen een schuldeiser en de dochter voorkomt niet dat de schuldeiser alsnog naar de moeder kan gaan voor het resterende bedrag. Een mogelijke oplossing voor dit probleem is om in de schikking op te nemen dat de schuldeiser niet meer naar de moeder kan gaan om de rest van het bedrag te vorderen.

 

Voor meer informatie over de 403-verklaring en aansprakelijkheid van de moeder kunt u vrijblijvend contact opnemen met Nicole Adema.

 

i HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:837.

ii HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4663.