Dorhout Advocaten, Groningen | T 050-520 6 520 | F 050-520 6 599 | info@dorhout.nl
Testvisual

Nieuwe afspraken over graafschadepreventie (CROW 500)

Kabel- en leidingschade: Wie is aansprakelijk?

Een grondwerkbedrijf voert grondroerende werkzaamheden uit. Er is een oude damwand, die moet worden gerenoveerd. Dat gebeurt door aan de waterzijde van die oude damwand een nieuwe damwand tegen de oude te plaatsen. Tijdens die werkzaamheden ontstaat schade aan een middenspanningskabel waarvan Liander beheerder is.

 

Alvorens de werkzaamheden aan te vangen heeft het grondwerkbedrijf een graafmelding gedaan en een tekening ontvangen, waarop de kabel is aangegeven. Het grondwerkbedrijf heeft twee proefsleuven gegraven, één haaks op de kabels en één circa 75 centimeter verder, de kabel volgend. Daarbij is de kabel beide keren aangetroffen op de plaats waar deze volgens de kaart liep.

 

De kabel loopt echter na de tweede proefsleuf, anders dan op de tekening staat aangegeven, met een bocht van de straatzijde, onder de oude damwand door naar de waterzijde en vervolgens weer terug naar de straatzijde, waarna de kabel de ingetekende ligging vervolgt. Daar waar de kabel onder de oude damwand doorloopt is de schade aan de waterzijde van de oude damwand ontstaan. De afwijking tussen de ligging van de kabel op de tekening en de werkelijke ligging bedraagt op het cruciale punt meer dan een meter. De schade van Liander bedraagt € 4.263,07.

 

Liander houdt het grondwerkbedrijf uit onrechtmatige daad aansprakelijk voor de schade die is ontstaan aan haar kabel. Het grondwerkbedrijf stelt dat zij, nu de werkelijke ligging van de kabel meer dan een meter afweek van de op de tekening aangegeven ligging, niet aansprakelijk is voor de schade. De kantonrechter geeft het grondwerkbedrijf gelijk en wijst de vordering van Liander af, met veroordeling van Liander in de kosten. Liander gaat tegen dit vonnis in hoger beroep.

 

 

Wet- en regelgeving

De grondroerdersregeling bestaat uit de Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (WION), het Besluit informatie-uitwisseling ondergrondse netten (BION) en de Regeling informatie-uitwisseling ondergrondse netten (RION).

 

De WION bepaalt in artikel 2 lid 2 dat de grondroerder de graafwerkzaamheden op zorgvuldige wijze verricht. Ter uitvoering van het tweede lid bepaalt het derde lid dat de grondroerder ten minste zorgt dat voor aanvang van de graafwerkzaamheden een graafmelding is gedaan (sub a), onderzoek is verricht naar de precieze ligging van onderdelen van netten op de graaflocatie (sub b), en de, van het Kadaster ontvangen gebiedsinformatie, op de graaflocatie aanwezig is (sub c).

 

In lagere regelgeving is uitgewerkt aan welke eisen de informatie van de beheerder over de liggingsgegevens moet voldoen. Deze eisen houden onder meer in dat met betrekking tot de nauwkeurigheid van de liggingsgegevens een bandbreedte van één meter aan weerskanten van de kabel of leiding wordt vastgesteld (artikel 5 lid 2 BION).

 

Voorts is er sprake van regulering door de graafsector zelf, in de vorm van de Richtlijn Zorgvuldig Graafproces (CROW). In de richtlijn wordt geadviseerd over het gehele traject kabels te lokaliseren, die volgens de tekening in een gebied van 1,5 meter aan weerszijde van de graaflocatie liggen, bijvoorbeeld door het graven van voldoende proefsleuven, waarbij het aantal te graven proefsleuven afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval. Dit wordt de zogenaamde best practice-regel genoemd.

 

Sinds kort heeft de graafsector een vernieuwde CROW-richtlijn, die de naam CROW 500 heeft gekregen. Essentie van de vernieuwde richtlijn is dat al in de vroegste fase van een project goed wordt nagedacht en in kaart wordt gebracht wie de belanghebbenden zijn, wat hun belangen precies zijn en waar de kabels en leidingen precies liggen.

 

De CROW 500 richt zich op de gehele keten: van de initiatief- en onderzoeksfase, naar de ontwerpfase, de werkvoorbereidingsfase en de uitvoering- en gebruiksfase. Een opdrachtgever (vaak een beheerder) dient reeds bij de ontwerpfase een oriënterende graafmelding te doen.

 

Een andere maatregel is dat het systeem van het Kadaster, waar graafmeldingen worden gedaan, wordt aangepast. Het systeem heet nu nog ‘klic online’, maar gaat ‘klic-win’ heten. Grootste veranderingen zijn dat netbeheerders hun leidingeninformatie in vectorformaat moeten aanleveren en dat er één centrale, op Europese leest geschoeide, voorziening komt met alle kabel- en leidingeninformatie.

 

 

Gerechtshof

Het gerechtshof overweegt dat het slaan van een damwand gevaarzettend gedrag is, in die zin, dat gegeven de aanwezigheid van kabels en leidingen in de grond het slaan van de damwand tot schade aan die kabels kan leiden. Van algemene bekendheid is dat in Nederland op zoveel plaatsen kabels en leidingen in de grond liggen dat het met het slaan van damwanden gepaard gaande risico reëel is, terwijl de te verwachten schadelijke gevolgen aanzienlijk kunnen zijn.

 

In casu staat de vraag centraal wat van de grondroerder redelijkerwijs aan zorgvuldigheid wordt verwacht als het gaat om onderzoek naar de werkelijke ligging van de kabel. Daarvoor zijn alle omstandigheden van belang. Tot die omstandigheden hoort in elk geval de plaatselijke situatie, maar ook de nauwkeurigheid van de tekening waarvan het grondbedrijf als grondroerder mag uitgaan. Gelet op artikel 5 lid 2 BION mag de grondroerder van de hem aangeleverde tekening verwachten dat deze op één meter nauwkeurig is.

 

Nu in onderhavig geval de tekening op dit punt niet voldoet aan de nauwkeurigheid die het grondbedrijf op grond van de BION mag verwachten en er geen concrete aanwijzingen waren dat de tekening in dit geval mogelijk niet aan die eisen zou voldoen (bijvoorbeeld wegens recente terreinveranderingen of bekende obstakels in de grond) is het gerechtshof van oordeel dat het grondbedrijf niet verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld door de nieuwe damwand te slaan zonder eerst verder onderzoek naar de ligging van de kabel te doen. Daarbij weegt mee dat een nader onderzoek bezwaarlijk, want tijdrovend en (daarom) kostbaar zou zijn geweest, terwijl alleen uitgebreid en intensief onderzoek – het volgen van de kabel over het complete traject – resultaat zou hebben gehad.

 

Conclusie

De hiervoor genoemde afweging van het gerechtshof is noodzakelijkerwijs een zeer casuïstische. Op grond van artikel 5 lid 2 BION mag de grondroerder in beginsel uitgaan van de informatie, die beschikbaar is gesteld door de beheerder en waarvan wordt aangenomen dat die tot op een meter nauwkeurig is. Anderzijds is de algemeen bekende omstandigheid dat de werkelijke ligging niet altijd volledig met de tekening overeenstemt niet voldoende voor de conclusie dat de grondroerder niet aansprakelijk is, als de kabel niet binnen de één metergrens ligt. Beantwoording van de vraag wie aansprakelijk is voor kabel- en leidingschade zal dus blijven aankomen op de feitelijke situatie en alle omstandigheden van het geval.

 

Lees verder de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 september 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3860.