Dorhout Advocaten, Groningen | T 050-520 6 520 | F 050-520 6 599 | info@dorhout.nl
Testvisual

Beroep tegen natuurvergunningen elektriciteitscentrales Maasvlakte ongegrond

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het beroep ongegrond verklaard, dat is ingesteld door de milieuorganisaties Stichting Natuur en Milieu en Greenpeace Nederland en de Vereniging Verontruste Burgers van Voorne tegen de natuurvergunningen voor elektriciteitscentrales op de Maasvlakte. Daarmee zijn deze vergunningen, die door het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland zijn verleend aan de energiebedrijven E.ON en GDF Suez, krachtens de artikelen 16 en 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: ‘Nbw 1998’), en die een lange voorgeschiedenis kennen, onherroepelijk geworden.

 

Elektriciteitscentrales Maasvlakte

GDF Suez heeft op de Maasvlakte in Rotterdam een nieuwe elektriciteitscentrale gebouwd met een capaciteit van 750 mw. E.On is al sinds 1975 gevestigd op de Maasvlakte en breidt de productie van de bestaande elektriciteitscentrale uit met een extra productie-eenheid van 1.100 mw. Zowel E.On als GDF Suez wekt elektriciteit op door kolen en biomassa te verstoken. Om de elektriciteitscentrales in gebruik te kunnen nemen, moeten GDF Suez en E.On beschikken over een natuurvergunning, omdat de elektriciteitscentrales in de buurt liggen van Natura 2000-gebieden.

 

Wetgeving

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn treffen de lidstaten voor de speciale beschermingszones (zoals Natura-2000 gebieden) de nodige instandhoudingsmaatregelen. Deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van Bijlage I en de soorten van Bijlage II die in die gebieden voorkomen.

 

De Nbw 1998 implementeert de Habitatrichtlijn in Nederland. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

 

 

 

Ingevolge artikel 19e, aanhef en onder a, van de Nbw 1998 houden gedeputeerde staten bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, rekening met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

 

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998 maakt de initiatiefnemer voor projecten waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.

 

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998 kan een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten uit de passende beoordeling, bedoeld in artikel 19f, eerste lid, zich ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied niet zullen worden aangetast.

 

Negatieve effecten

Tussen partijen is niet in geschil dat de voorliggende twee projecten negatieve effecten hebben op de omliggende Natura 2000-gebieden vanwege de toename van stikstofdepositie die de beide elektriciteitscentrales veroorzaken en die op de meest nabijgelegen gebieden maximaal 8 mol/ha/jaar bedraagt. In de passende beoordeling zijn de effecten onderzocht op de gebieden Coepelduynen, Meijendel & Berkheide, Westduinpark & Wapendal, Solleveld & Kapittelduinen, Duinen Goeree & Kwade Hoek, Spanjaards Duin en Voornes Duin.

 

In een nieuw onderzoek van april 2014 hebben gedeputeerde staten per beschermde dier- en habitatsoort inzicht gegeven in de gevolgen van de verwachte stikstofneerslag afkomstig van de elektriciteitscentrales. In het onderzoek zijn daarnaast de effecten van zogenoemde natuurbeheermaatregelen op de beschermde dier- en habitatsoorten inzichtelijk gemaakt. Het gaat daarbij om maatregelen zoals het maaien, begrazen, plaggen en verwijderen van struiken, maar ook om het verbeteren van de hydrologische situatie. De effecten van de natuurbeheermaatregelen zijn vervolgens afgezet tegen de effecten van de verwachte stikstofneerslag vanwege de elektriciteitscentrales. Uit het onderzoek blijkt dat de effecten van de natuurbeheermaatregelen voorkómen, dat ondanks de toename van de stikstofneerslag, afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van de Natura 2000-gebieden.

 

 

Gronden van beroep

Gedeputeerde staten concluderen dan ook dat de natuurlijke kenmerken van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet worden aangetast door de stikstofdepositie van de elektriciteitscentrales. Appellanten stellen zich daarentegen op het standpunt dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de stikstofneerslag van de elektriciteitscentrales op de omliggende Natura-2000-gebieden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt het betoog van appellanten niet. Gelet op de gedane onderzoeken bestaat er – aldus de Afdeling – geen grond voor het oordeel dat de uitgangspunten die gedeputeerde staten in de passende beoordeling hebben toegepast, onaanvaardbaar zijn.

 

Zie de uitspraak:

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2016:170 .