Dorhout Advocaten, Groningen | T 050-520 6 520 | F 050-520 6 599 | info@dorhout.nl
Testvisual

Gedoogplicht voor aanleg en instandhouding 380 kV-hoogspanningsverbinding vernietigd wegens schending proportionaliteitsvereiste in artikel 1 Belemmeringenwet Privaatrecht


De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft een gedoogplicht vernietigd die was opgelegd aan een melkveehouder ten behoeve van de aanleg van de Randstad 380 kV-hoogspanningsverbinding Beverwijk-Vijfhuizen in de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Zo’n gedoogplicht is een middel die het eerste artikel van de Belemmeringenwet Privaatrecht (hierna: ‘BP’) biedt om af te dwingen, behoudens recht op schadevergoeding, dat iemand werken ter algemeen belang op zijn terrein moet toestaan.

In onderhavig geval wilde TenneT voor de aanleg van het noordelijkste deel van de Randstad 380 kV-verbinding gebruik maken van percelen van de melkveehouder, door over de weilanden, waar de melkveehouder zijn koeien laat lopen, op een hoogte van tien meter hoogspanningsdraden te hangen, over een lengte van 230 meter en daar bij te kunnen voor aanleg en onderhoud. Daarnaast wilde TenneT een tijdelijke werkweg aanleggen in de weilanden waarover aanvoer van hoogspanningsmasten moest plaatsvinden. Deze masten zouden niet op het terrein van de melkveehouder komen te staan, maar ten noorden en ten zuiden van het melkveebedrijf.

Om gebruik van de gronden te kunnen maken, moest TenneT met de grondeigenaar (de gemeente Amsterdam) en de –gebruiker (de melkveehouder) een zakelijk recht overeenkomst als bedoeld in artikel 1 BP sluiten, waarin staat hoe een partij wordt gecompenseerd voor eventuele schade als gevolg van deze activiteiten. Het lukte TenneT wel om zo’n overeenkomst met de gemeente Amsterdam te sluiten, maar niet met de pachter, de melkveehouder. Daarom verzocht TenneT op grond van artikel 2, vijfde lid, gelezen in samenhang met het zevende lid van de BP de minister van Infrastructuur & Milieu om een gedoogplicht aan de melkveehouder op te leggen. De minister gaf hieraan gehoor en nam een gedoogbeschikking. De melkveehouder kon zich daar niet mee verenigen en vocht deze, met succes, aan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overweegt dat de minister bij de oplegging van een gedoogplicht als bedoeld in artikel 1 van de BP naast de beoordeling of de belangen van rechthebbenden onteigening niet vorderen tevens dient te beoordelen of in het gebruik van de zaken niet meer belemmering voor de rechthebbenden wordt gebracht dan redelijkerwijs noodzakelijk is voor de aanleg en de instandhouding van het werk (proportionaliteitsbeginsel). In dit kader volgt de Afdeling de melkveehouder in zijn betoog dat de masten ook via een alternatieve route vanuit het noorden op hun locatie kunnen worden aangevoerd, zodat daarvoor niet door zijn weilanden hoeft te worden gereden.

Daarnaast oordeelt de Afdeling dat de gedoogbeschikking in strijd is met het proportionaliteitsvereiste in artikel 1 van de BP. Op zich acht de Afdeling de wens van de minister om TenneT enige flexibiliteit te bieden ten koste van de gebruiksmogelijkheden van de (pacht)gronden van de melkveehouder op zichzelf niet onredelijk, gelet op de omvang van het werk en het openbaar belang dat met de aanleg en instandhouding daarvan is gemoeid. In dit geval vindt de Afdeling echter dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de melkveehouder bij het, permanent en overal op zijn pachtgronden, onvoorwaardelijk, verplicht gedogen van het aanleggen en in stand houden van de 380 kV-hoogspanningsverbinding. Zo zijn er in de gedoogverplichting geen voorwaarden gesteld aan het aantal transportbewegingen of de periode waarbinnen de aanlegwerkzaamheden moeten plaatsvinden.

Daarom oordeelt de Afdeling dat de gedoogbeschikking vernietigd dient te worden. TenneT moet dus proberen nieuwe afspraken over een vergoeding te maken met de melkveehouder, zodat er alsnog een zakelijk recht overeenkomst kan worden gesloten en er geen gedoogplicht meer nodig is. Een andere optie is dat de minister een nieuwe gedoogbeschikking neemt, waarbij dit keer wel rekening wordt gehouden met de belangen van de melkveehouder.

Zie de uitspraak ABRvS 30 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4037.


Voor vragen en/of opmerkingen kunt u contact opnemen met Annelies Schwartz