Dorhout Advocaten, Groningen | T 050-520 6 520 | F 050-520 6 599 | info@dorhout.nl
Testvisual

Omgevingsvergunning verleend voor energiepark/zonnepanelenpark in de gemeente Raalte

Bij besluit van 7 juli 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Raalte aan Energie Coöperatie Endona (Energie door natuurkracht) U.A. te Heeten een omgevingsvergunning verleend, op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), voor het in strijd met het bestemmingsplan realiseren van een energiepark. Het plan omvat de realisatie van een zonnepanelenpark van circa 7200 zonnepanelen, met techniekgebouw, een informatiebord en een hekwerk rondom het terrein, alsmede het afgraven en ophogen van het gedeelte waar de zonnepanelen worden geplaatst, alsmede het ophogen van de grond rondom het terrein.

Energie Coöperatie Endona U.A. is een rechtspersoon, die is ontstaan uit een in 2014 gevormde initiatiefgroep die na gesprekken met onder meer de gemeente Raalte, de provincie Overijssel, Energieleveranciers, Netwerkbeheerder Enexis, de Rijksoverheid, lokale partijen en toeleveranciers, de mogelijkheid heeft onderzocht om binnen de gemeente Raalte een economisch rendabel energiepark te ontwikkelen. Daarbij is het plan opgevat op een zandvlakte van ongeveer drie hectare grond, die eigendom is van de gemeente Raalte en die is gelegen tussen de dorpsrand van Heeten en de provinciale weg, een grondgebonden energiepark te realiseren. Het energiepark wordt enigszins verdiept aangelegd en ingepast met een grondwal van 15 meter breedte met een haag die er voor zorgt dat het energiepark vanuit vrijwel de gehele omgeving op ooghoogte niet is te zien.

De gronden waarop het plan wordt gerealiseerd hebben voornamelijk een agrarische bestemming. Niet in geschil is dat de activiteiten in strijd zijn met die bestemming.

Het gebeurt vaker, dat bouwplannen of nieuwe activiteiten niet (helemaal) in een bestemmingsplan passen. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente kan dan via een omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan. Dit blijkt uit artikel 2.1, sub c en artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° van de Wabo. In de Wabo is ook geregeld dat het college in zo’n geval een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) moet hebben van de gemeenteraad (zie artikel 2.27 van de Wabo en artikel 6.5, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht). De gemeenteraad is het bestuursorgaan dat een bestemmingsplan vaststelt. Als daarvan wordt afgeweken, ligt het voor de hand dat daarvoor toestemming van de gemeenteraad nodig is.

Als het college van burgemeester en wethouders via een omgevingsvergunning wil afwijken van een bestemmingsplan moet de omgevingsvergunning eerst in ontwerp ter inzage worden gelegd. Gedurende zes weken kunnen belanghebbenden daartegen zienswijzen indienen. Bij de ontwerp-omgevingsvergunning moet ook een ontwerp-vvgb ter inzage worden gelegd. Belanghebbenden kunnen dan ook tegen de ontwerp-vvgb een zienswijze indienen. Die zienswijzen tegen de ontwerp-vvgb moeten vervolgens worden beoordeeld door de gemeenteraad.


Dat dit laatste geen formaliteit is, blijkt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 oktober 2016. Het college van burgemeester en wethouders had wel een ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage gelegd, maar geen ontwerp-vvgb. Dat was een belangrijk proceduregebrek want omwonenden konden nu geen zienswijzen indienen tegen de vvgb en kwamen dus niet bij de gemeenteraad terecht. Dit leidde tot vernietiging van de omgevingsvergunning.


Strikt genomen moet het college van burgemeester en wethouders twee keer naar de gemeenteraad: één keer om een ontwerp-vvgb te vragen en één keer voor de definitieve vvgb. Daardoor kan de vergunningenprocedure erg lang gaan duren. Veel gemeenten lossen dit op door een standaard of blanco vvgb in ontwerp ter inzage te leggen. Daartegen worden dan zienswijzen ingediend, waarna het college van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad vraagt de definitieve vvgb te verlenen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State lijkt deze handelswijze toe te staan.


Indien het college van burgemeester en wethouders een aanvraag om omgevingsvergunning niet wil verlenen, moet het toch aan de gemeenteraad vragen om al dan niet een vvgb af te geven. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit in haar uitspraak van 6 april 2016 duidelijk gemaakt. Volgens de Afdeling moet een aanvraag om omgevingsvergunning, die afwijkt van het bestemmingsplan, altijd worden voorgelegd aan de gemeenteraad. Zelfs als het college van burgemeester en wethouders die vergunning wegens strijd met het bestemmingsplan niet wil verlenen. Als het gaat om plannen die in strijd zijn met het bestemmingsplan, heeft de gemeenteraad dus in beginsel het laatste woord, maar dat hoeft niet altijd.


In onderhavig geval heeft de gemeenteraad zijn besluiten omtrent een aanvraag omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. Ook heeft de gemeenteraad in 2014 besloten om een positieve grondhouding aan te nemen wat betreft de ontwikkeling van grondgebonden zonnepanelen (zonneparken) in onder meer agrarische gebieden. Tenslotte heeft de gemeenteraad in 2015 een lijst met categorieën van gevallen vastgesteld waarvoor geen vvgb noodzakelijk is. Op die lijst is onder meer ‘duurzame energie’ opgenomen.


Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat met de in het raadsbesluit uit 2014 vermelde uitgangspunten sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing van het standpunt dat geen vvgb is vereist. Nadat ook de andere door eisers opgeworpen beroepsgronden ongegrond zijn verklaard, is de omgevingsvergunning voor het in strijd met het bestemmingsplan realiseren van een energiepark/zonnepanelenpark van 7200 zonnepanelen te Raalte in stand gelaten, zonder dat de gemeenteraad een vvgb heeft afgegeven.


Lees verder de uitspraken van de Rechtbank Overijssel van 15 november 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:4490 en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:921 .


Mocht u vragen hebben over dit onderwerp, neem dan gerust contact op met Hans Koenders of Simone Pipping.