dorhout advocaten Nieuw logo 121x43

HOF BEKRACHTIGT VONNIS WAARIN LIANDER IS VEROORDEELD TOT AANBIEDEN TRANSPORTCAPACITEIT ONDANKS VERWEER TOT GEBREK AAN CAPACITEIT

Schenkeveld, een tomatenteler in Noord-Holland, is als eiser een kort geding gestart tegen netbeheerder Liander. Schenkeveld heeft een aansluiting op het middenspanningsnet van Liander met een maximale aansluitcapaciteit van 20 MVA. Schenkeveld heeft in 2016 bij Liander op deze aansluiting een transportvermogen van 12 MW gecontracteerd. Vervolgens heeft Liander met een aantal datacenters in de buurt transportovereenkomsten gesloten.

Op enig moment heeft Schenkeveld in verband met een voorgenomen uitbreiding van zijn bedrijf bij Liander een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van 6,7 MVA extra transportcapaciteit. Liander heeft dit verzoek echter geweigerd met als reden dat het volledige transportvermogen op het betreffende onderstation reeds is gecontracteerd en geen ruimte bestaat voor uitbreiding.

In een eerder nieuwsbericht is het vonnis in kort geding al uitgebreid besproken. Voor meer achtergrondinformatie wordt verwezen naar dit nieuwsbericht:

https://www.dorhout.nl/2019/05/23/rechter-veroordeelt-liander-tot-aanbieden-transportcapaciteit-ondanks-verweer-tot-gebrek-aan-capaciteit/

Op grond van artikel 23, eerste lid, Elektriciteitswet is de netbeheerder verplicht degene die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde net tegen een tarief en tegen andere voorwaarden in overeenstemming met de Elektriciteitswet. Met enkel een aansluiting is de aangeslotene echter nog niet verzekerd van transport van elektriciteit. Op grond van artikel 24, eerste lid, Elektriciteitswet is de netbeheerder verplicht aan degene die daarom verzoekt een aanbod te doen om met gebruikmaking van het door hem beheerde net ten behoeve van de verzoeker transport van elektriciteit uit te voeren tegen een tarief en tegen andere voorwaarden die in overeenstemming zijn met de Elektriciteitswet. Artikel 24, tweede lid, Elektriciteitswet bepaalt echter dat deze verplichting niet geldt “voor zover de netbeheerder voor het gevraagde transport redelijkerwijs geen capaciteit ter beschikking heeft”. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de netbeheerder zich dient te onthouden van iedere vorm van discriminatie tussen degenen jegens wie de verplichting, bedoeld in artikel 24, eerste lid, geldt.

De Voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis onder meer overwogen dat zuiver contractuele congestie geen weigeringsgrond is als bedoeld in artikel 24, tweede lid, Elektriciteitswet. Het is mogelijk dat contractuele congestie tot fysieke congestie kan leiden. Deze schaarste zal op non-discriminatoire wijze moeten worden verdeeld over de contractanten, als het kan met congestiemanagement op grond van hoofdstuk 9 van de Netcode Elektriciteit. Volgens de Voorzieningenrechter is door Liander niet aannemelijk gemaakt dat congestiemanagement geen oplossing kan bieden.

De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland heeft bij vonnis d.d. 16 april 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2019:1681) Liander – kort gezegd – veroordeeld om binnen een week aan Schenkeveld een aanbod te doen voor 6,7 MVA transportcapaciteit op zijn bestaande aansluiting.

Liander heeft Schenkeveld op basis van dit vonnis een aanbod gedaan, welk aanbod door hem is geaccepteerd. Liander kan zich echter niet verenigen met de overwegingen en het oordeel van de Voorzieningenrechter en is dan ook tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen.

Het Hof heeft de grieven die waren gericht tegen de bevoegdheid van de rechter en het (spoedeisend) belang van eiser verworpen. Ook het verzoek van Liander om de beroepsprocedure bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) af te wachten, heeft het Hof afgewezen omdat van Schenkeveld redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat hij nog twee tot vier maanden langer zou moeten wachten op een uitspraak. Liander is bij het CBB in beroep gegaan tegen het besluit van ACM d.d. 6 december 2018[1] waarin zij vaststelt “dat Liander in strijd heeft gehandeld met artikel 24, eerste lid, van de E-wet. De uitzondering uit het tweede lid van dit artikel gaat in het onderhavige geval, om voornoemde reden, niet op.”.

Het Hof overweegt dat de weigering om transport uit te voeren met redenen omkleed moet zijn en dat het aan Liander is om aan te tonen dat zij redelijkerwijs geen transportcapaciteit ter beschikking heeft. Volgens het Hof is op grond van de eigen grafieken van Liander aannemelijk dat er tot mei 2019 slechts de helft van de transportcapaciteit was gecontracteerd en dat er voldoende capaciteit was om zowel te kunnen voldoen aan het uitbreidingsverzoek van Schenkeveld als aan de eerdere uitbreidingsverzoeken van de datacenters. “Om deze redenen heeft Liander voorshands niet aannemelijk gemaakt dat er grond was om zich tegenover Schenkeveld te beroepen op de uitzonderingsgrond van artikel 24 lid 2 E-wet. Dit is in overeenstemming met het geschilbesluit van de ACM, terwijl het hof het aannemelijk acht dat het CBB ook in die zin zal oordelen.” Volgens het Hof was er tot het voorjaar van 2019 dan ook geen sprake van contractuele congestie, laat staan van fysieke congestie. Er bestond naar aanleiding van het uitbreidingsverzoek van Schenkeveld en die van enkele van de datacenters voorshands geen reden om onderzoek te doen naar de mogelijkheid van congestiemanagement, aldus het Hof.

Daarnaast overweegt het hof dat, ook als er wel sprake zou zijn geweest van contractuele congestie, dit op zichzelf geen weigeringsgrond oplevert in de zin van artikel 24 lid 2 E-wet. Dat blijkt uit de uitspraak van het CBB van 17 mei 2013, ECLI:NL:CBB:2013:CA1172 en het volgt uit het discriminatieverbod van artikel 24 lid 3 E-wet. “Dat contractuele congestie geen weigeringsgrond is in de zin van artikel 24 lid 2 E-wet wordt ook door de ACM aangenomen in haar Visiedocument Transportschaarste uit 2009 (…) en in het document “Vragen en antwoorden transportschaarste” dat de ACM op 28 juni 2019 op haar website heeft gepubliceerd (…).”

Kortom, het Hof is, net als de Voorzieningenrechter, zij het deels op andere gronden, voorshands van oordeel dat Liander zich tegenover Schenkeveld niet kan beroepen op de uitzondering van artikel 24, tweede lid, Elektriciteitswet. Het Hof heeft het vonnis dan ook bekrachtigd.

Klik op deze link voor de uitspraak van het Hof:

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:1663

Voor vragen op het gebied van energie en recht kunt u contact opnemen met Simone Pipping of Hans Koenders

 

[1] De procedure bij de ACM is aangespannen door Schenkeveld IV B.V. tegen Liander. De kort geding procedure is aangespannen door Schenkeveld Exploitatie Prima4A B.V.

Related Posts

HET IMG START VANAF…

HET IMG START VANAF 1 SEPTEMBER MET DE BEHANDELING VAN SCHADE DOOR WAARDEDALING Het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) zal op 1 juli 2020 starten met de schadeafhandeling in Groningen. Momenteel…
Lees meer

VACATURE JURIDISCH SECRETARESSE

Juridisch secretaresse Wij zijn per direct op zoek naar een ervaren juridisch secretaresse (m/v) voor minimaal 32 uur per week.  Je kent het klappen van de zweep, weet welke stap…
Lees meer

WARMTEWET VERSUS HUURRECHT

woontorens Stoker en Brander WARMTEWET VERSUS HUURRECHT In de praktijk blijkt het nogal eens onduidelijk te zijn wat een verhuurder wel en niet in rekening mag brengen bij een huurder…
Lees meer