UITSPRAAK CBB ZONDER UITSLUITSEL OVER ONTHEFFING ELEKTRICITEITSNET STATION LEIDEN

UITSPRAAK CBB ZONDER UITSLUITSEL OVER ONTHEFFING ELEKTRICITEITSNET STATION LEIDEN

Op 11 augustus 2020 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) uitspraak gedaan in een zaak tussen NS Stations en de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) over de noodzaak van een ontheffing, van de in de Elektriciteitswet 1998 (hierna: E-wet) opgenomen verplichting om een netbeheerder aan te wijzen, voor het elektriciteitsnet van Station Leiden. 

De ACM kan op aanvraag een ontheffing verlenen aan een eigenaar van een gesloten distributiesysteem op grond van artikel 15 van de Elektriciteitswet. NS Stations was van mening dat echter geen ontheffing noodzakelijk was voor het stelsel van verbindingen dat volgens NS Stations heeft te kwalificeren als installatie. Volgens NS Stations gaat het om een stelsel van verbindingen in één gebouw (het stationsgebouw) dat juridisch eigendom is van één entiteit: NS Vastgoed. NS Stations meent dat binnen één enkel gebouw geen sprake kan zijn van een net in de zin van de Elektriciteitswet 1998 (hierna: E-wet). De ACM heeft zich echter op het standpunt gesteld dat het stelsel van verbindingen wél kwalificeert als een net in de zin van de E-wet. Waarom het stelsel van verbindingen als net in de zin van de E-wet zou kwalificeren, heeft ACM in deze procedure niet nader onderbouwd.

NS Stations is tegen dit oordeel in beroep gegaan en heeft zich op het standpunt gesteld dat de mededeling van ACM (gedaan bij brief van 29 oktober 2018), waaruit volgt dat het stelsel van verbindingen is aan te merken als een elektriciteitsnet in de zin van de E-wet, als besluit moet worden aangemerkt. In de procedure heeft de ACM zich op het standpunt gesteld dat de brief van 29 oktober 2018 niet als een besluit in de zin van de Awb kan worden aangemerkt.

Het CBb heeft geoordeeld dat de brief van 29 oktober 2018 niet kan worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb. Het college is van oordeel dat het standpunt van ACM, dat het stelsel van verbindingen niet kwalificeert als een installatie maar als een net, niets meer is dan een weergave van hoe ACM de bepalingen van de E-wet interpreteert en toepast op de feitelijke situatie. Volgens het CBb brengt het standpunt van ACM geen verandering in de reeds bestaande rechten en plichten van de juridische eigenaar van het stelsel van verbindingen omdat die rechten en verplichtingen rechtstreeks uit de E-wet zouden volgen.

Van belang is dus dat indien niet gevraagd wordt om een ontheffing en ook anderszins niet wordt verzocht een besluit ter zake te nemen, de reactie op het standpunt dat geen ontheffing nodig is, niet als besluit aangemerkt kan worden.

De uitspraak is te vinden op rechtspraak.nl (ECLI:NL:CBB:2020:529).

Voor vragen op het gebied van energie en recht kunt u contact opnemen met Margot Gozoglu of Hans Koenders.

Related Posts

Toezicht in de semipublieke…

De semipublieke sector heeft de afgelopen jaren al te maken gehad met verscherpte eisen en toenemende regelgeving op het gebied van bestuur en toezicht en Governance. Dit naar aanleiding van…
Read more

WHOA: HERSTRUCTURERINGSMIDDEL BIJ EEN…

De WHOA (Wet Homologatie Onderhands Akkoord) is per 1 januari 2021 opgenomen in de Faillissementswet. Deze nieuwe regeling maakt het mogelijk bij ondernemingen en organisaties om schulden te saneren door…
Read more

REGIONALE PRAKTIJK ONDER DRUK…

De advocatuur aan de randen van Nederland heeft het moeilijk: in Limburg en Noord-Nederland daalt het aantal praktijken substantieel. Hoe komt dit? En waar liggen de oplossingen? Lees het artikel…
Read more